Cuba

16 september 2003

Bacardi & C°: of hoe rum uit de Bermuda’s, de Europese buitenlandse politiek beïnvloedt.

Inleiding

De “Cordinatie voor de opheffing van de blokkade tegen Cuba” lanceerde in 1998 een aandelencampagne gericht tegen de Helms-Burton wet. 2 jaar voorheen waren we er achter gekomen dat het bedrijf Bacardi & C de eigenlijke auteur was van deze wet. Naast het feit dat deze wet beantwoordt aan de eisen van de nieuwe buitenlandse politiek van de republikeinse meerderheid, zag het bedrijf haar kans mooi om haar commercile belangen in de VS veilig te stellen tegen de mogelijk nakende concurrentie van een kwaliteitsrum met cht Cubaans label, Havana Club. Indien de blokkade ooit zou opgeheven worden – en in 1993 gingen nogal wat stemmen in die richting op in de Verenigde Staten- dan mocht een Cubaanse rum toch geen roet in het eten van Bacardi & C komen strooien.

De blokkade tegen Cuba kreeg vorm tijdens de eerste maanden van 1960. Sindsdien is deze politiek, zeker sinds 1982 onder Ronald Reagan, enkel maar versterkt. De democraat Clinton zette deze lijn verder. De Torricelli wet uit 1992 maakte de handel tussen Cuba en andere landen moeilijker. De Helms-Burton wet uit 1996, weert buitenlandse investeringen in Cuba, waar ze ook mogen vandaan komen. Sectie 211, gestemd in 1998 ontzegt Cuba de intellectuele eigendomsrechten van haar labels in de VS. De Nethercutt Bill uit november 2000 beperkt reizen vanuit de Verenigde Staten naar Cuba tot de huidige uitzonderingen. Nieuwe categorien zullen niet meer gecreerd kunnen worden.

Verschillende van deze wetten zijn bovendien “extraterritoriaal” van aard, dwz. ze pretenderen ook te gelden buiten het grondgebied van de Verenigde Staten, ze onderwerpen andere landen m.a.w. aan deze regels. Het is traditie in de VS dat de president dergelijke wetten, die internationaal zeer betwist worden, door een veto blokkeert. Maar onder druk van de rechtse republikeinse volksvertegenwoordiging heeft Clinton dit niet aangedurfd en is de buitenlandse politiek, zeker die betreffende Cuba, steeds meer in handen gekomen van de republikeinse volksvertegenwoordiging.

Verwonderlijk is echter dat de Europese Unie tot op heden weinig weerwoord heeft geboden. De “extraterritorialiteit” van de Helms-Burton wet en Sectie 211 tasten rechtstreeks de belangen van de Europese burger en bedrijven aan. Ze dwingen in feite landen tot het wijzigen van hun autonome buitenlandse politiek. De Europese Commissie kan zich dus in feite niet onthouden van enige reactie. Sinds 1996 heeft de Unie zich echter stelselmatig compromissen op de mouw laten spelden door de VS. De Europese Commissie voerde een zeer halfslachtige politiek t.a.v. de pogingen van de VS om de EU op haar lijn te brengen. Het werd duidelijk dat de Commissie niet in staat is een van de VS onafhankelijke politiek te definiren met betrekking tot Cuba. Maar dat ze zich daarbij onrechtstreeks heeft laten leiden door de commercile belangen van een rumfabrikant uit de Bermuda eilanden is voor velen een minder bekend gegeven.

Het boek van de hand van Hernando Calvo geeft een goed beeld van het tot stand komen van zowel de Helms-Burton wet als van sectie 211. Hij toont duidelijk aan dat het bedrijf Bacardi & C de voornaamste drijfveer is achter deze wetten. De zaak Bacardi & C en de reactie van het beleid daarop lijkt ons een schoolvoorbeeld te zijn van het zoveelste geval van privatisering van de internationale relaties. De commercile belangen haalden het van het algemeen belang op de politieke agenda.

In onderstaande bijdrage zullen wij in een eerste deel de Europese buitenlandse politiek ten aanzien van Cuba beschrijven. In een tweede deel geven wij de reactie van de Europese Commissie weer op de extraterritoriale wetten Helms-Burton en Sectie 211. Dat Bacardi & C ook in de straten van Brussel steeds meer zijn weg vindt, is een minder bekend gegeven.

We sluiten dit hoofdstuk af met een oproep. Wij stellen ons niet tevreden met “het begrijpen” van de gang van zaken. Willen we het algemeen belang en niet de commercile doelstellingen van Bacardi & C dienen, dan kunnen we als bewuste consument en verantwoordelijke burger wel degelijk een verschil maken. Door mee te werken aan onze acties laten we de Europese Commissie en de nationale regering voelen dat we een ethische manier van “aan politiek doen” verwachten.

1. De Europese houding ten overstaan van Cuba. Een verschil met de Verenigde Staten ?

In de “Gemeenschappelijke Houding” opgesteld op 2 december 1996 door de Europese Raad stelt de Unie dat zij “in haar relaties met Cuba een transitieproces wil bevorderen naar een pluralistische democratie en in respect met de mensenrechten en de fundamentele vrijheden”…”De houding van de Europese Unie voorziet geen verandering tot stand te brengen door het gebruik van dwingende maatregelen die tot gevolg zouden hebben dat de economische moeilijkheden van het Cubaanse volk zouden vergroten”.

Hier kunnen we 2 zaken uit afleiden. De doelstelling van de Europese Unie is gelijklopend met die van de Verenigde Staten, maar ze is verschillend wat betreft de strategie om daar toe te komen. De blokkade, het instrument bij uitstek dat door de VS wordt gehanteerd in het bewerkstelligen van die “transitie”, is volgens de EU niet het aangewezen middel. De Helms-Burton wet uit 1996 illustreert de VS-strategie, gericht op het gebruik van dwangmaatregelen, overduidelijk. Via deze wet is het de bedoeling Cuba af te snijden van alle investeringen. Na het wegvallen van de preferentile relaties met het Oostblok had Cuba immers dringend nood aan nieuwe handelspartners en investeringen om haar economie op peil te houden. In de VS spreekt men dan ook over het “snelkookpaneffect” van deze maatregel. Door grote druk te zetten op de Cubaanse bevolking en deze ontberingen en schaarste op te dringen, zal het systeem op korte tijd zichzelf vernietigen. Met andere woorden: “Onder de Helms-Burton wet is het basismodel van verandering in Cuba er n van totaal verval van de maatschappij dat zal leiden tot een gewelddadige opstand” . Een “humanitaire” VS interventie zou in dit scenario naderhand “mensenlevens gaan redden” en een overgangsregering aan de macht brengen.

De Europese Unie was niet van plan deze weg te volgen en stelde in haar Gemeenschappelijke Houding dat ze een transitie in Cuba wilde bewerkstelligen door dialoog en economische betrokkenheid, samenwerking met het eiland. Tot zover de theorie. Interessant is echter te analyseren wat er in de praktijk gebeurt. Hieruit wordt duidelijk dat de “Gemeenschappelijke Houding” in feite noch gemeenschappelijk is, noch een houding. Het zijn de benvloedingspogingen geweest van de VS die er met succes voor zorgden dat de EU zich geen van de VS onafhankelijke houding wist aan te meten in haar Cuba politiek.

1.1. De “Gemeenschappelijke Houding” is een compromis, afgesloten onder druk van de Verenigde Staten.

Het was het Europese Parlement dat in zijn resolutie van 15 september 1993 voorstelde aan de Commissie een samenwerkingsakkoord af te sluiten met Cuba, het enigste land in Latijns-Amerika waarmede er geen dergelijk akkoord bestond. Op 15 en 16 december 1995 werd op de Europese top in Madrid aan de Commissie gevraagd een onderhandelingsmandaat voor te bereiden, dat zou moeten leiden tot dergelijk akkoord. Commissaris Marn , bevoegd voor de Noord-Zuid relaties, verklaarde in mei 1996 dat omwille van “de weigering van de Cubaanse autoriteiten de dialoog over democratie en mensenrechten verder te zetten” het onderhandelingsmandaat niet kon voorgelegd worden. Wat was er gebeurd ?

De Europese Commissie maakte het onderhandelingsmandaat (het bespreken van een samenwerkingsakkoord tussen de EC en Cuba) afhankelijk van hervormingen op het vlak van de organisatie van de pluralistische democratie (lees meerpartijenstelsel) en vooruitgang m.b.t. de mensenrechten. Met andere woorden, alvorens er ook maar zou kunnen gepraat worden over een eventueel akkoord, diende Cuba hervormingen door te voeren. Het nuance verschil is belangrijk. Het lijkt ons verdedigbaar dat bij onderhandelingen door beide partijen water bij de wijn wordt gedaan, maar eisen dat eerst hervormingen worden doorgevoerd om dan pas te beginnen onderhandelen over de modaliteiten van een eventuele samenwerking, is niet echt beleefd. Het lijkt ons dan ook begrijpelijk dat de Cubaanse autoriteiten weigerden op deze voorwaarden in te gaan. Daarenboven getuigt de eis om politieke hervormingen door te voeren, ons inziens van een verregaande arrogantie van de Commissie. Het is (trouwens tot op heden) een constante geweest van de Europese politiek ten aanzien van Cuba: de pretentie dat de politieke organisatie (meerpartijen stelsel) zoals het vrije westen deze belijdt, superieur en universeel is, steeds en in alle omstandigheden. Deze houding aannemen, ze opdringen aan een land dat reeds meer dan 40 jaar “belaagd” wordt door dit “vrije westen” en eisen dat ze dit systeem veranderen alvorens er ook maar gepraat kan worden over substantile hulp, is een recept tot mislukking. De besprekingen zaten dus in een impasse en de Europese top van Firenze in juni 1996 vroeg om een herdefiniring van de Europese houding ten aanzien van Cuba.

Het interne debat daarover in de EU begon kort nadat de speciale gezant van de VS administratie, Stuart Eizenstat, op bezoek kwam bij de Europese lidstaten. Hij had de taak om de EU er van te overtuigen dat de Helms-Burton wet een onderdeel was van een coherente totaalpolitiek van de VS en de lidstaten over te halen om op de VS lijn te komen. In zijn pogingen om een consensus te bereiken, bezocht Eizenstat niet enkel de Commissie en de individuele lidstaten, maar ook de ondernemerswereld en zelfs Europese NGO’s . Het zou echter niet correct zijn te stellen dat enkel Eizenstat de EU overhaalde tot het aannemen van de VS houding. Hij speelde in op een bestaande Europese dynamiek en inspireerde Spanje en het Verenigd Koninkrijk doeltreffend in de oorspronkelijke voorstellen die op tafel kwamen. Wij zullen hier niet nader ingaan op de totstandkoming van de “Gemeenschappelijke Houding”, maar belangrijk voor de lezer is te weten dat vooral Frankrijk en Itali en in zekere mate ook Belgi, het Spaanse voorstel afzwakten om tot de gekende tekst te komen van 2 december. De meest agressieve voorstellen mochten dan wel verwijderd worden – waaronder het installeren van een “mensenrechtendiplomaat” in iedere EU ambassade in Havana of de eis dat alle Cubanen vrijheid van reizen moest gegeven worden – toch was deze beleidsverklaring een verandering van de Europese houding t.o.v. Cuba. Waar vroeger zich een politiek had ontwikkeld van economische betrokkenheid en bereidheid tot hulp aan de hervormingen die Cuba doorvoerde , werd nu overgeschakeld op een politiek van voorwaarden: er komt geen samenwerkingsakkoord zolang er geen werk wordt gemaakt van politieke hervormingen in Cuba.

De Gemeenschappelijke Houding is een zo vaag compromis dat elke lidstaat en de Europese Commissie er de interpretatie aan geven die ze willen. In de praktijk houdt het gros van de Europese lidstaten er geen rekening mee en ontwikkelen een autonome bilaterale politiek ten aanzien van Cuba. Ze verhandelen, investeren of sluiten samenwerkingsakkoorden af met Cuba waar de mogelijkheden zich aandienen. De praktijk van de Europese Commissie daarentegen is anders. Zij interpreteert deze houding erg restrictief en vindt er een reden in om de relaties met Cuba op een waakvlam te houden. De tegenstelling tussen deze 2 houdingen leidt er toe dat steeds meer stemmen op gaan om de Gemeenschappelijk Houding te veranderen in de richting van de praktijk van de lidstaten. Steeds meer lidstaten laten zich laagdunkend uit over deze verklaring: ze is noch een houding en nog minder gemeenschappelijk. Iedereen beseft dat ze het uitvloeisel is van een compromis tussen de EU en de VS en tussen het Spanje van de eerste maanden onder Aznar (samen met het Verenigd Koninkrijk) en de andere lidstaten. Daarenboven groeit het besef dat met deze houding de Europese lidstaten geen voet aan de grond zullen krijgen in Cuba. Het is dan ook niet verwonderlijk dat algemeen verwacht wordt dat in de komende 2 jaren deze Houding zal gewijzigd worden.

Een wijziging van de Gemeenschappelijke Houding is echter niet zonder gevaar. Vandaag een politieke discussie uitlokken over de Europese buitenlandse politiek ten aanzien van Cuba geeft geen garantie op beterschap. Ongetwijfeld zullen het Verenigd Koninkrijk, Nederland en Denemarken pogingen ondernemen om de Gemeenschappelijke Houding dusdanig te definiren zodat samenwerking met Cuba nog meer afhankelijk wordt gemaakt van politieke voorwaarden. De relaties tussen Cuba en Spanje zijn onlangs andermaal bezwaard en Spanje heeft in deze problematiek een belangrijke stem omwille van de historische en culturele banden tussen de 2 landen. Indien er geijverd wordt voor een herziening van de “Gemeenschappelijke Houding” dan wordt het erg belangrijk om deze discussie goed in de hand te houden opdat een nieuwe Gemeenschappelijke Houding niet in een keurslijf wordt gegoten die ng restrictiever is.

1.2. Cuba en de ACP-Conventie

De aanvraag van Cuba tot lidmaatschap van de nieuwe ACP-Conventie was een nieuwe test voor de Europese houding. Sinds december 1996 had de “Gemeenschappelijke Houding” er voor gezorgd dat er geen vooruitgang werd geboekt in de relaties met Cuba. Greep de EU de kans aan om deze Houding “een stille dood te laten sterven” ? Cuba was sinds 1998 op unanieme aanvraag van de ACP landen observator geworden van deze besprekingen tussen de EC en de 71 landen die deel uitmaakten van de toenmalige conventie. Alle ACP staatshoofden en dit werd nogmaals bevestigd in de resolutie van de Raad van ACP ministers, gehouden in Brussel op 1 februari 2000, steunden de aansluiting van Cuba tot deze conventie. Na begin 2000 formeel haar kandidatuur te stellen, besloot Cuba op 25 april 2000 deze opnieuw terug te trekken. Welke redenen lagen daar aan ten grondslag ?

Volgens alle observatoren zijn het de 3 EU-lidstaten, het Verenigd Koninkrijk, Denemarken en Nederland die zich het meest verzet hebben tegen de integratie van Cuba in de ACP groep. Zeker 1 van hen zou “off-the-record” bevestigd hebben dat ze een veto zou stellen . In een informeel en toevallig gesprek met een lid van het kabinet van Solana, Minister van Buitenlandse Zaken van de Europese Unie, werd ons in januari 2000 nog een ander scenario meegedeeld: Cuba zou eventueel wel lid worden maar naar alle waarschijnlijkheid zou een Europese lidstaat naderhand Cuba zou uitsluiten van de voordelen van deze conventie door artikels van de conventie in te roepen die betrekking zouden hebben op de “good governance” bepalingen. Wie zal het ooit weten wat het precieze scenario was ?

De manier waarop Cuba werd duidelijk gemaakt dat haar aanvraag tot lidmaatschap niet vanzelfsprekend was, getuigt ons inziens opnieuw van een behoorlijke portie arrogantie. De voorwaarden van de Gemeenschappelijke Houding van december 1996 werden immers opnieuw uit de kast gehaald. De Europese Unie liet in 1999 weten dat ze genteresseerd was om de politieke dialoog met Cuba (sinds 1996 afgebroken na het mislukken van het samenwerkingsakkoord) opnieuw op te nemen. Daartoe wilde ze begin 2000 de trojka naar Havana sturen. Cuba reageerde positief. De EU maakte in de voorbereidende gesprekken echter duidelijk dat ze haar houding van de al dan niet opname van Cuba in de ACP groep zou laten afhangen van de resultaten geboekt in deze hernieuwde dialoog. Daar deze dialoog over politieke, economische en sociale hervormingen in Cuba gaat, maakte de EU dus in feite haar beslissing afhankelijk van specifieke criteria die niet voor de andere ACP landen gelden. Opnieuw werd duidelijk dat Cuba op een andere manier behandeld wordt dan de andere landen die de ACP-Conventie ondertekenden. Waarom moet Cuba eerst hervormen alvorens recht te hebben op de rechten en plichten vervat in de nieuwe (de meest liberale sinds het ontstaan trouwens) ACP-conventie en waarom gelden deze criteria niet voor de andere ACP landen ? Opnieuw heeft het gros van de EU lidstaten zich laten gijzelen door de enge interpretatie van de “Gemeenschappelijke Houding” die het Verenigd Koninkrijk, Denemarken en Nederland wisten op te dringen. Belgi, dat sinds 1997 in de persoon van Erik Derycke, toenmalig minister van Buitenlandse Zaken, nochtans een belangrijk gangmaker was van de integratiepogingen van Cuba in de nieuwe conventie, werd opnieuw, samen met andere landen, op snelheid en intriges van deze 3 landen “gepakt”. Het lijdt bovendien geen twijfel dat de VS eveneens haar duit in het zakje heeft gedaan. De rechtstreekse lijn tussen Clinton en Blair is algemeen gekend. Cuba opnemen in ACP zou een kaakslag geweest zijn voor de pogingen van de VS om Europa op eenzelfde lijn te krijgen. Hierin moet naar alle waarschijnlijkheid de ware reden voor de blokkering gezocht worden. Het zou de transatlantische relaties te veel op de proef stellen omwille van een “anachronistisch detail in de geschiedenis”: Cuba.

Het ACP hoofdstuk is echter nog niet afgesloten. Tot heden was het zo dat je pas lid kon worden van de ACP-groep indien de aanvrager ook de samenwerkingsconventie met de Europese Unie onderschreef. In de Raad van ACP ministers gehouden in 1997 in Libreville, Gabon, werd echter beslist dat de conventie van Georgetown (1975) vatbaar was voor verandering. Deze conventie is een juridisch instrument door het welke de ACP groep zich oprichtte. De Raad van Ministers die op 14 december 2000 werd gehouden te Brussel besliste op voorstel van de Carabische landen en met unanieme goedkeuring dat Cuba volwaardig lid werd van ACP. Deze evolutie beantwoordt aan de wil van de ACP-landen om als groep een meer algemene politieke rol te spelen, verder dan de akkoorden met de EU. Daarenboven weerspiegelt deze evolutie ook de politieke wil om een meer autonoom standpunt, als groep, in te nemen ten aanzien van de Europese Unie. Hoewel deze stap niet moet gezien worden als een provocatie ten aanzien van de EU blijft het nog wachten op een officile reactie van de Europese landen. Het is echter duidelijk dat dit feit de druk zal verhogen op de EU om Cuba in de toekomst op dezelfde voorwaarden toe te laten tot de samenwerkingsakkoorden waarvan de andere ACP landen kunnen genieten. Ongetwijfeld zal deze evolutie ook de integratie van de Carabische landen op politiek en economisch vlak ten goede komen. De EU zal hier in de toekomst moeten rekening mee houden. Cuba behandelen als een gesoleerd land, waarvoor aparte regels gelden, wordt daardoor alsmaar moeilijker.

1.3. Commissaris Nielson en de Europese ontwikkelingssamenwerking met Cuba.

De tegenstelling tussen de buitenlandse politiek van de meerderheid van de lidstaten en deze van de Europese Commissie ten aanzien van Cuba kwam ook recentelijk tot uiting na de aanstelling van de nieuwe Noord-Zuid Commissaris, de Deen Poul Nielson. Sinds zijn aantreden heeft deze Commissaris niet nagelaten in allerlei interviews Cuba in een negatief daglicht te stellen. Hij gebruikt de Europese Gemeenschappelijke Houding als leidraad om de ontwikkelingshulp aan Cuba te herorinteren. Voorheen steunde de Commissie de initiatieven van de Europese NGO’s met betrekking tot hun programma’s.

In juli 2000 heeft hij een poging ondernomen om de Europese NGO’s een gedragspatroon op te dringen in hun samenwerking met hun Cubaanse partners. Na eerst de humanitaire hulp voor Cuba te herzien, heeft de Commissaris een tekst uitgewerkt waar hij de ontwikkelingshulp van de Commissie wil richten op de individuele mensenrechten. Zoals in de Gemeenschappelijke Positie maakt hij de ontwikkelingssamenwerking met Cuba afhankelijk van voorwaarden van politieke aard . Hij gaat daarbij voorbij aan de prioriteiten die door de Cubaanse partners en de Europese NGO’s sinds jaren werden besproken. Deze prioriteiten werden reeds verschillende jaren in het Europees verbindingscomit van meer dan 900 NGO’s aanvaard en bevestigd . De tekst vertoont veel gelijkenissen met de “Carril II”- of de “Track II-strategie” die de VS reeds enkele jaren toepassen . Het is de Europese NGO’s niet meteen duidelijk wat Nielson daarmee beoogt. Sommige waarnemers menen dat het zijn manier is om de Europese NGO hulp naar Cuba te blokkeren. Deze houding gaat bovendien in tegen de rapporten van de Commissie Ontwikkeling van het Europees Parlement. De Europese NGO’s hebben kordaat gereageerd op dit initiatief en weigerden hun ontwikkelingsprogramma’s op dergelijke leest te schoeien. Het valt af te wachten of Commissaris Nielson zijn nieuwe politiek hard zal kunnen maken. Ook in dit dossier volgt de Commissie in de praktijk dus opnieuw een politiek die in tegenstelling staat met de praktijk van samenwerking van de meeste EU lidstaten met Cuba.

Fundamenteel gaat het in deze 3 voorbeelden – de discussie m.b.t. een bilateraal samenwerkingsakkoord, lidmaatschap tot ACP of steun aan initiatieven van NGO’s in Cuba - steeds om dezelfde vraag: in hoeverre is het toelaatbaar dat de EU zich mengt in de aangelegenheden van een soevereine staat (met politieke hervormingen bedoelt men het opzetten van een meerspartijenstelsel, wat een fundamenteel politieke en soevereine keuze is voor een staat) ? De discussie betreffende de mensenrechten is hier van secundair belang. Officieus hoor je op de Commissie dat het in Cuba helemaal niet zo’n vaart loopt met de schending van de mensenrechten. Een tweede vraag voor de Europese Unie is er n van strategische aard: indien de EU haar politieke doelstellingen wil bereiken, welke strategie kan ze dan best volgen: een politiek van positieve samenwerking, van het uit het isolement halen van Cuba ? Of een meer agressieve houding, waar ze de samenwerking afhankelijk maakt van voorwaarden ? Ze weet bovendien dat een land als Cuba, dat meer dan 40 jaar politiek, economisch en militair bestookt wordt door de machtige buur uit het noorden, deze voorwaarden niet kan aanvaarden. De keuze lijkt ons niet zo moeilijk… Wil de EU ooit een geloofwaardige partner worden dan zal een eerste voorwaarde moeten vervuld worden. Ze zal blijk moeten geven van een onafhankelijke houding van de VS. Voor het dossier dat we in volgend hoofdstuk behandelen, had je dit minstens kunnen verwachten – haar eigen belangen worden er op korte en lange termijn immers geschaad - maar ook hier heeft de EU van het tegenovergestelde blijk gegeven.

2. De besprekingen tussen de Europese Unie en de VS over de Helms-Burton wetgeving.

Wij zullen hier niet het proces hernemen van het ontstaan van de Helms-Burton wet. Daarvoor verwijzen wij de lezer naar de hoofdstukken 10, 11 en 12 in dit boek. Wij zullen ons pogen te beperken tot de Europese reactie terzake.

2.1. Een Europese rechtszaak tegen Helms-Burton.

Het stemmen van de Helms-Burton wet in maart 1996 luidde een confrontatie in tussen de EU strategie en de wurggreep die de VS voor Cuba in gedachten hadden. Wat in s een conflict is van buitenlandse politiek werd sindsdien behandeld als een handelsconflict. Naar onze mening ligt hier de grootste strategische fout van de Europese Unie. In plaats van de VS duidelijk te maken dat zij het met de Helms-Burton wet niet eens was en dat zij ingeval van toepassing van deze wet zich genoodzaakt zou zien onmiddellijk tegenacties te nemen, heeft de Europese Commissie geoordeeld dat dit conflict in de Wereld Handels Organisatie zou opgelost kunnen worden. Door dit te doen is een proces van onderhandelen gestart dat voor de EU slecht afliep. Onderhandelen over je capaciteit tot het voeren van een autonome -van de VS onafhankelijke- buitenlandse politiek, is onderhandelen over het ononderhandelbare. Je verliest op voorhand de strijd. Daarenboven bleek de Delegatie van de EU in Washington niet steeds de best genformeerde te zijn. Herhaaldelijk heeft zij het wetgevend proces, evenals de onderhandelingen met de EU rond deze wetgeving foutief ingeschat .

De EU, geconfronteerd met een extraterritoriale wet, die op straffe van zware boetes voor haar bedrijven, geen investeringen in Cuba meer mocht kanaliseren, promoten of garanderen, reageerde vertwijfeld. Aanvankelijk diende de Commissie een klacht in tegen deze wet in de Wereld Handels Organisatie om die echter een jaar later opnieuw in te trekken.

Zoals bij andere handelsconflicten tussen leden van de WHO kan een staat die zich benadeeld voelt door de maatregelen van een andere staat een onderzoek laten instellen naar de conformiteit van een nieuwe wet met de GATT-regels en een bindende uitspraak verkrijgen. Bij de Helms-Burton klacht gingen vele waarnemers er van uit dat de VS zouden veroordeeld worden, daar Titel 3 en 4 in tegenspraak lijken met de GATT-akkoorden. De VS kondigden echter onmiddellijk aan dat indien het tot een voor hen negatieve uitspraak zou komen, zij artikel 21 zouden inroepen. Dit artikel houdt in dat de uitspraak van de WHO naast zich neer kan gelegd worden indien deze de nationale veiligheid van de Staat bedreigt . De dreiging om artikel 21 in te roepen was strategisch belangrijk. Niemand leek namelijk gebaat bij een ridiculisering van de nog jonge WHO. Dit zou de opvatting dat de vrijhandelsreligie enkel beleden wordt wanneer het n van de partijen (in dit geval de VS) voordeel oplevert, enkel maar versterken...

In april 1997 zou het panel effectief van start gaan. Na intense besprekingen kondigde Leon Brittan, Europees Commissaris van handel, op 11 april 1997 aan dat er een akkoord werd bereikt tussen de VS en de EU. De Commissie zou zijn klacht bij de WHO voor 1 jaar opschorten in ruil voor een tijdelijke niet inwerking stelling (waiver) van Titel 3 en de belofte van president Clinton om van het Congres te bekomen dat Titel 4 zou geamendeerd worden. Indien de VS aan deze voorwaarden niet zouden voldoen, dan zou de opschorting van het panel in de WHO automatisch ongedaan gemaakt worden en zou de klacht opnieuw zijn normale weg volgen. Ondertussen zouden de VS en de EU hun onderhandeling over Helms-Burton en de ILSA Act verplaatsen naar de OESO waar er een akkoord in de maak was over Multilaterale Investeringen (MAI).

Dit “compromis” lijkt opnieuw meer ingegeven door de wens om het probleem te minimaliseren dan dat het een echte oplossing zou aanreiken. Op 4 dagen tijd dienden de 15 lidstaten hun akkoord te geven aan dit voorstel dat reeds op 12 april, een dag na het sluiten van het akkoord dus, in Washington volledig anders werd uitgelegd. Desondanks werd het akkoord goedgekeurd. Het WHO panel zou toch opnieuw automatisch opgestart worden indien de VS niet aan hun beloften zou voldoen, was de redenering van de lidstaten. Nog vr de EU zijn zegen had gegeven, verklaarde de woordvoerder van Jesse Helms dat hij er niet aan dacht om Titel 4 te amenderen, integendeel, alles zou in het werk gesteld worden om de VS administratie te verplichten actie te ondernemen tegen Europese investeerders die de bepalingen van de Helms-Burton wet overtreden...

In de VS werd ondertussen nieuwe wetgeving gestemd die Titel 4 nog verstrengde, het tegendeel dus van wat met de EU overeen gekomen was. Daarenboven werden voorstellen gedaan om Clinton ook zijn tijdelijke capaciteit te ontnemen om Titel 3 elke 6 maanden op te schorten (een “waiver”). Je zou dus redelijkerwijze verwachten dat de EU volgens haar eigen beloften en op aandringen van het Europese Parlement aanstalten zou gemaakt hebben om de zaak terug aanhangig te maken bij de WHO.

In april 1998 diende de EU te beslissen of het panel al dan niet opnieuw zou ingesteld worden. Er was zeer weinig communicatie rond de zaak en op dat moment werd het erg moeilijk om informatie te verkrijgen. Blijkbaar wilde men geen gezichtsverlies lijden door al te breed uit te smeren dat de VS aan geen van hun beloften waren tegemoet gekomen. De EU heeft het uiteindelijk niet nodig gevonden het WHO panel opnieuw in te stellen daar Leon Brittan stelde dat er grote vooruitgang werd geboekt in de discussies. Niemand heeft ooit begrepen hoe hij achteruitgang in vooruitgang omtoverde, maar het was toch voldoende voor de EU om het WHO panel definitief af te blazen . Daarenboven was de aandacht ondertussen enigszins verschoven van de Helms-Burton onderhandelingen naar de meer omvattende MAI-discussie in de OESO. De Helms-Burton onderhandelingen waren daarin terecht gekomen. Dit forum onderhandelde over disciplines die lidstaten en MNO’s zouden moeten aanvaarden bij hun investeringspraktijken (in Cuba, Iran en Libi, maar ook algemeen...). De Helms-Burton zaak is daar het voornaamste obstakel geworden voor een MAI-akkoord (zo bevestigde ons Minister Maystadt, toenmalig minister van financin). Na het mislukken van het MAI overleg in de OESO zouden de Helms-Burton onderhandelingen opnieuw doorgaan op een bilaterale basis.

2.2. Het Birmingham-akkoord.

Het Britse voorzitterschap van de EU in de eerste helft van 1998 bood perspectieven. Eerste minister Blair kon het goed vinden met zijn VS ambtgenoot, dit werd voorheen al duidelijk. Beiden wilden het probleem van de extraterritoriale wetgevingen uit de weg, daar het reeds al te lang de Atlantische relaties verziekte. Op 18 mei 1998, ter gelegenheid van een G-8 top in Birmingham, kondigden Blair, Santer en Clinton triomfantelijk een akkoord aan . Dit akkoord dreigt de EU in de toekomst echter nog zuur op te breken. Wat werd er overeengekomen ? In ruil voor een nieuwe belofte tot amendering van titel IV door het VS Congres geeft de Europese Commissie zijn akkoord aan een set disciplines betreffende een investeringscode in “illegaal” genationaliseerde eigendommen overal ter wereld. Ze blijkt akkoord te gaan om haar bedrijven te “ontraden” investeringen te doen in eigendommen (niet enkel in Cuba maar overal ter wereld...) die in een speciaal register zouden worden opgenomen en die “illegaal” zouden genationaliseerd zijn. Nergens staat er in het akkoord wat men als illegaal beschouwt. Sir Leon licht in een bijlage aan dit akkoord toch reeds een tipje van de sluier op. Hij meent dat de nationaliseringen in Cuba inderdaad niet conform het internationaal recht waren. Hij heeft de nationaliseringen op Cuba volgens eigen zeggen bestudeerd en is tot de slotsom gekomen dat Cuba waarschijnlijk massaal “illegaal” nationaliseerde... Wij zien geen andere uitleg dan dat hij nationaliseringen “an sich” als een aantasting van een fundamenteel mensenrecht beschouwt. Cuba heeft alvast geen weet van een (juridisch) onderzoek dat de Europese Commissie deed. Je zou op zijn minst verwachten dat ze geconsulteerd worden in deze... Dat Cuba met een reeks Europese landen succesvolle compensatieakkoorden afsloot (wat dus een erkenning inhoudt van de validiteit van deze nationaliseringen volgens het internationaal recht), doet blijkbaar niet ter zake. Leon Brittan trad hier de interpretatie bij van Jesse Helms in de VS, het land dat halsstarrig weigert om met Cuba een globaal compensatieakkoord af te sluiten. Het feit dat in de overeenkomst niet gedefinieerd wordt wanneer een naasting illegaal is, het feit dat zowel de VS en de Commissie blijkbaar uitgaan van de nieuwe interpretatie, creert aldus nieuw internationaal recht. En dit is uiteindelijk de bedoeling van Helms. Zijn agenda is een nieuwe definitie van eigendomsrecht internationaal op te dringen, en de EU is, via dit akkoord, flink op weg om deze politiek bij te treden .

De verdeel- en heers tactiek van de VS heeft goed gewerkt. Frankrijk, de moeilijkste lidstaat werd gepaaid door te beloven dat hun Total investering in Iran geen schade zou ondervinden van de ILSA act. Spanje evenzo, maar dan voor haar Repsol belangen in Libi. Nederland en Duitsland zouden vrijgesteld worden van sancties voor hun investeringen in Iran.

2.3. Enkele beschouwingen.

De Europese Commissie en de 15 lidstaten hebben weinig blijk gegeven van een juiste inschatting van de VS context. Door hun klacht eerst op te schorten en nadien in te trekken, hebben ze de beginnende oppositie van de zogenaamde “free-traders” in de volksvertegenwoordiging gekortwiekt. Bij de indiening van het WTO panel gingen namelijk steeds meer stemmen op om de Helms-Burton wetgeving te herzien daar ze de VS teveel imago verlies en problemen zou opleveren met het handelsblok Europa dat op het punt stond zijn nheidsmunt in te voeren . In gesprekken met Europese diplomaten werd op onze vraag waarom de Commissie steeds maar blijft onderhandelen over het niet onderhandelbare, geantwoord dat de EU tijd poogt te winnen zodat de oppositie in de VSA tegen deze wet zou kunnen groeien… In realiteit was het de EU dus zelf die deze oppositie heeft gemuilkorfd.

Een tweede inschattingsfout was de houding van de EU ten overstaan van de chantage die gebruikt werd toen de VS de ILSA wetten mee opnam in de onderhandelingen (zie ook voetnoot n 19). Met ILSA hoefde de EU zich niet te laten chanteren, deze wetgeving is zodanig opgesteld dat de VS-president genoeg achterpoortjes ter zijner beschikking heeft om deze wet niet afdwingbaar te laten zijn door de volksvertegenwoordiging in de VS.

De Europese Unie doet hier fundamenteel wat eigenlijk de taak is van de president in de VSA dwz. pogen het Congres en Senaat er van te overtuigen dat de Atlantische relaties belangrijk zijn. Menig waarnemer meent echter dat net het tegenovergestelde effect wordt bereikt: in kringen van Senaat en Congres overheerst de mening dat de EU bereid is over zowat alles te onderhandelen, nu ze zelfs over het principe van een autonome buitenlandse politiek onderhandelde.

We kunnen ons terecht de vraag stellen of het aan de EU is om het isolationisme van de volksvertegenwoordiging in de VSA te bestrijden ? Belangrijk op middellange termijn is ons inziens dat de Europese houding een trend heeft gezet. Door op de vraag van de VS in te gaan om over deze wet te onderhandelen en dus eigenlijk een intern VS-probleem tot het onze te maken, heeft men duidelijk gemaakt aan de VS dat de EU bereid is om over “illegale”, dwz over wetten die ingaan tegen het internationaal recht, te onderhandelen. Het voorbeeld van het succesverhaal van Bacardi & C, zelfs niet een bedrijf met hoofdzetel in de VS, inspireert andere bedrijven om dezelfde tactiek te beproeven.

De meeste EU lidstaten menen dat het Birmingham-akkoord dood is. Wij betwijfelen dit sterk. Op 16 november 2000 schreef Jesse Helms de VS administratie opnieuw aan met het verzoek om de Spaanse hotelketen Sol Mela nu eindelijk te onderwerpen aan de sancties voorzien in de Helms-Burton wet. Dit is het duidelijkste bewijs dat het Birmingham akkoord niets heeft opgelost. De kwestie stond trouwens opnieuw op de agenda op 26 januari 2001 op een bilaterale vergadering tussen de EU en de VS in Stockholm. Het ziet er niet naar uit dat de nieuwe VS president meer tegenwind zal bieden aan partijgenoot en Senator Jesse Helms, integendeel. Toch zou de EU makkelijk afstand kunnen nemen van dit akkoord en zelfs zonder te veel gezichtsverlies. Daar Titel 4 nooit werd geamendeerd, zou de EU dit akkoord kunnen herroepen.

2.3. Een Multilateraal Akkoord over Investeringen (MAI)

Het akkoord dat in Birmingham werd bereikt, heeft veel weg van een wereldwijd verdrag ter verdediging van eigendomsrechten. Toen in april 1997 Leon Brittan het panel bij de WHO opschortte, verwees hij de Helms-Burton discussie naar de OESO, waar op dat moment onderhandelingen aan de gang waren over een Multilateraal Akkoord over Investeringen. Het is vanaf dat moment dat men over Helms-Burton spreekt in termen van “algemene disciplines ter bescherming van investeringen”.

Sedert 1995 werd in de OESO in het grootste geheim besprekingen gevoerd over een wereldwijde en bindende verdragstekst die de problematiek van de investeringen zou reglementeren. Het is pas toen een NGO een kopij van deze voorstellen op het internet zette, dat de OESO niet meer kon volhouden dat er geen dergelijke besprekingen aan de gang waren. Het imago van de OESO als een luxe studiebureel van een rijkenlanden club werd door deze onhandige tactiek nog meer bevestigd. Investeringen worden normaal beschermd door bilaterale akkoorden. Waarom moest er dan een “nieuwe mondiale grondwet voor een ngemaakte globale economie” komen, zoals toenmalig WTO directeur Ruggiero het noemde ? Europa leek niet onmiddellijk vragende partij, een dergelijke nieuwe grondwet was namelijk moeilijk verenigbaar met het Europese integratieproces. De VS lieten maar liefst 300 uitzonderingen in het MAI opnemen en leken dus evenmin vragende partij. De ontwikkelingslanden zaten evenmin op een MAI te wachten, integendeel. In het begin van de jaren ’90 hebben zij zich resoluut verzet tegen beginnende discussies in het kader van de GATT onderhandelingen over deze problematiek. Het lijkt erop dat enkel Multinationale Ondernemingen echt vragende partij zijn. Te veel verschillende nationale wetten beperken nog hun investeringspotentieel. Zij zijn vooral genteresseerd in minder regulering in de landen waar ze investeren. Daarenboven zijn zij voorstander van een andere geschillenprocedure om de veelvuldige conflicten te beslechten met staten. De principes van de MAI onderhandelingen zijn tot nog toe gebaseerd geworden op de investeringesprincipes van het Noord-Amerikaanse Vrijhandelsverdrag (NAFTA) . De onderhandelingen over het deelonderwerp van de nationaliseringen binnen het MAI, waren precies dezelfde als die over de Helms-Burton wet werden gevoerd. Multinationale Ondernemingen zijn op zoek naar de grootst mogelijke “zekerheid” voor hun investeringen. Dat betekent dat ze bezorgd zijn over het feit dat hun investeringen niet genationaliseerd worden. In de MAI besprekingen werden daarenboven nationaliseringen erg ruim genterpreteerd. Maatregelen of wetten “die gelijkaardige effecten hebben als een nationalisering” zijn eveneens taboe .

De bilaterale besprekingen over de Helms-Burton in de OESO, met de MAI principes op de achtergrond, mondden op 18 mei 1998 uit in het akkoord van Birmingham. Voortaan zou het aan een Europese of een VS interpretatie toekomen om uit te maken of een staat al dan niet onrechtmatig eigendom van haar eigen onderdanen heeft genationaliseerd. Welk land in het zuiden zal het nog aandurven landhervormingen door te voeren voor het publieke belang, wetende dat deze morgen illegaal kunnen verklaard worden door de eigenaars die betrokken partij zijn? Wetende dat het waarschijnlijke gevolg zal zijn dat er een internationale ban op toekomstige investeringen staat in je land ? Volgens het huidige internationaal recht is het de exclusieve aangelegenheid van de Staat of zij nationaliseert of niet. Het Birmingham akkoord creert een belangrijk precedent. De Europese Commissie heeft de nationaliseringen in Cuba als illegaal bestempeld zonder ook maar enig onderzoek. Misschien zou een onderzoek tot de conclusie gekomen zijn dat het net de VS regering is die elk gesprek over compensaties weigert ? Indien men deze interpretatie doortrekt dan betekent dit dat nationaliseringen “an sich” in feite illegaal worden verklaard. De achterliggende redenering voor deze interpretatie ligt dan in het feit dat men priv-eigendom als een fundamenteel mensenrecht beschouwt. Eigendomsrecht krijgt dan ook een nieuwe interpretatie . Is het daarenboven toevallig dat Edwin Williamson - advocaat en vroeger voorzitter van de MAI expertengroep in de “Business and Industry Advisory Council” bij de OESO, op het zelfde moment adviseur was bij het VS Ministerie van Buitenlandse Zaken, voor wat betreft de voorbereidingen van het standpunt rond de Helms-Burton onderhandelingen ? De Washington Post publiceerde in juni 1997 (een jaar voor het Birmingham akkoord dus) een artikel van Williamson. Daarin staat te lezen: “Het VS-EU akkoord (van april 1997 waarbij het panel in de WHO werd opgeschort) biedt een uitstekende gelegenheid om, duidelijk en bindend, in de vorm van een internationaal verdrag tussen de belangrijkste gendustrialiseerde landen in de wereld, internationale legale regels op te stellen die de eigendomsrechten erkennen en verdedigen. Claims zullen geregistreerd kunnen worden, de betrokken partijen zouden overeenkomen geen financiering of andere steun te verlenen aan eigendommen die in dit register zouden terechtkomen”. Dit artikel is dus in feite de letterlijke blauwdruk van het Birmingham akkoord, een jaar voor datum. Het toont ook zeer duidelijk aan waar het in feite om te doen is, dwz. eigendomsrechten. Politieke en Economische actoren hebben de Bacardi & C Protection Act gebruikt om hun ruimere doelstellingen te verwezenlijken, dwz. een MAI-akkoord in sp. De Europese Commissie heeft hier het spel meegespeeld met opvattingen die Senator Jesse Helms, als vertegenwoordiger van een nieuwe rechtse revival in de Verenigde Staten, in de praktijk heeft weten op te dringen . De ironie is groot. Op de rug van Cuba, n van de zeldzame landen in het zuiden waar de Staat nog een belangrijke herverdelende rol op zich neemt , wordt een nieuw verdrag geschreven dat een belangrijke stap moet worden in de algehele liberalisering van de wereldeconomie.

3. Bacardi &C is nog niet tevreden en ploegde voort…

3.1. Sectie 211

De goedkeuring van de Helms-Burton wet en de onderhandelingen die de Europese Commissie daaromtrent aanknoopte met de Verenigde Staten en die uitmondden in het Birmingham-akkoord, effenden de weg voor nog meer specifieke wetgeving. Bacardi & C begreep dit uiteraard als eerste. In 1997 begon ze te werken aan een tweede wet die haar belangen nog verder zou dienen. De nieuwe wet, sectie 211 genaamd, is enigszins verschillend wat haar bereik betreft als de Helms-Burton wet. Sectie 211 dient in tegenstelling tot Helms-Burton enkel de belangen van het bedrijf Bacardi & C

Bacardi & C, had ondertussen haar oog laten vallen op het kwaliteitslabel “Havana Club” en poogde sindsdien dit label tot het hare te maken. Sectie 211 bepaalt dat het voor een VS-rechtbank onmogelijk is om de bepalingen van de interamerikaanse conventie over de intellectuele eigendomsrechten afdwingbaar te maken met betrekking tot Cubaanse labels of labels die ooit werden gebruikt in naam van genationaliseerde bedrijven in Cuba. De internationale rechtsregels met betrekking tot intellectuele eigendomsrechten worden onderuit gehaald en er worden via deze speciale wet permanente rechten toegekend aan bepaalde labels van Cubaanse oorsprong. Concreet betekent dit dat het label Havana Club geen eigendom meer zou zijn van de nieuwe joint-venture (Havana Club en Pernod-Ricard), maar wel van de Spaanse Arechabala familie met wie Bacardi & C in 1997 het op een akkoord gooide. Bacardi & C beloofde aan de Spaanse familie 1,25 miljoen Usd te betalen voor het verkrijgen van de rechten van het Havana Club label en stelt hen mogelijke royalty’s in het vooruitzicht. Dit komt dan ook neer op een kaping van het Havana Club label. Ondertussen heeft Bacardi & C aan de VS administratie de aanvraag ingediend om eigenaar te worden van een label… Havana-Club genoemd.

Deze nieuwe wet werd via de senatoren Connie Mack en Bob Graham in de budget wet voor 1999 ingediend. In oktober 1998 werd deze wet aanvaard, zonder dat de volksvertegenwoordiging de tijd had gekregen om het 4.000 blz. tellend document door te nemen. Connie Mack en Bob Graham gaven, zonder enig blozen toe dat dit onderdeel hen door Bacardi & C werd doorgegeven. Het is geen geheim dat deze nieuwe wet volledig door Ignacio Sanchez , dezelfde van de Helms-Burton wet, werd geschreven. Op 21 mei 1998, 3 dagen na het ondertekenen van het Birmingham akkoord gaf deze een lezing in het Huis voor Afgevaardigden voor het Subcomit dat over intellectuele eigendomsrechten handelt. Daar vindt de lezer de oorspronkelijke juridische ideen terug van wat later nationale en extraterritoriale wetgeving werd via Sectie 211.

3.2. De Europese reactie

Aanvankelijk bleef de Europese reactie uit. Een wet gestemd in november 1998 had tot 2000 nodig om hier een formele reactie uit te lokken. Wij veronderstellen dat Commissaris Brittan niet erg geneigd was om opnieuw de handschoen op te nemen tegen de Verenigde Staten. Het is pas na de aanstelling van de nieuwe Commissie Prodi in juli 2000 en met de komst van de nieuwe Commissaris Pascal Lamy, een fransman en voormalig kabinetschef van Commissievoorzitter Delors, dat er enige beweging kwam in de Europese Unie.

De Europese Commissie besliste op 26 september 2000 om in de Wereld Handels Organisatie een klacht in te dienen tegen sectie 211. Deze beslissing heeft heel wat voeten in de aarde gehad. Maandenlang werd het Comit 133, waarin de nationale lidstaten zetelen en waar met unanimiteit een beslissing moet vallen over het al dan niet indienen van een klacht verlamd door enkele lidstaten. Sommige lidstaten meenden dat deze nieuwe wet het niet waard was om de spanningen met de VS opnieuw te laten stijgen en anderen, zoals Itali hadden wel oren naar de lobbyisten van Bacardi & C die in grote getale in Europa neerstreken.

3.3. Bacardi in Brussel

Gedurende de maanden voorafgaande aan de beslissing van de Europese Commissie, is er waarschijnlijk geen enkel ministerie van Buitenlandse Zaken en Handel in de Europese Unie dat niet het bezoek kreeg van Bacardi advocaten, speciaal daartoe overgevlogen uit de VS. De Algemeen Voorzitter van Bacardi schreef brieven naar de Commissie waarin hij poogde te argumenteren dat een panel niet kon omwille van de “illegale nationaliseringpraktijken” van Cuba. Het mocht niet baten, de klacht werd toch ingediend.

Voorlopig lijkt het dat de nieuwe Commissie wel bereid is om de klacht te laten doorgaan en eventueel de VS te laten veroordelen binnen de Wereld Handels Organisatie. Toch moeten we opmerkzaam blijven. Ook Leon Brittan diende een panel in maar op het laatste moment heeft hij de klacht weer ingetrokken en een compromis onderhandeld waarin Europa volledig bakzeil haalde. Een dergelijk scenario zou zich kunnen herhalen. Bacardi & C zit immers niet stil. Via een lobbybureel “Edelman” nam het initiatieven naar het Europees Parlement toe. In een zogenaamde “Declaration of Dissent” poogt Bacardi sinds begin november 2000, de handtekening te verkrijgen van verschillende parlementsleden. De “Declaration of Dissent” noemt de steeds weerkerende argumenten van Bacardi & C nog eens op en maant de Commissie aan het panel stop te zetten. Tot nog toe hebben slechts weinig parlementsleden zich laten vangen aan deze zet, maar in de toekomst moet dit toch in het oog worden gehouden. Bacardi & C heeft nu zelf de familie Arachebala ingeschakeld om in Europa te lobbyen. Via het lobbybureel Edelman werd een vergadering gevraagd in het Europees Parlement in Straatsburg op 17 februari 2001 waar men Jos Manuel Arachebala wil opvoeren. Als stroman moet hij voor Bacardi uitleggen dat Cuba “illegaal”, “zijn” label nationaliseerde. En als de Europese Commissie wil doorgaan met haar klacht in de Wereld Handels Organisatie, dan moet ze beseffen dat “ze illegale nationaliseringen goedkeurt”. Het is nu niet enkel meer de Commissie en de lidstaten wiens agenda benvloed wordt door dit bedrijf uit de Bermuda’s, maar ook het Europees Parlement dreigt voor de kar gespannen te worden van Bacardi.

Bacardi & C heeft trouwens nog een ander bedrijf onder contract in Brussel. Interel, een communicatiebureel werd bereid gevonden om een strategie uit te werken die de negatieve berichtgeving van het boek dat u nu aan het lezen bent, moet counteren. Besprekingen in kranten van de eerste Franstalige druk van dit boek vindt Bacardi blijkbaar negatieve publiciteit. Vanuit de Verenigde Staten en in verschillende Europese landen is er daarenboven nogal wat belangstelling voor. Het valt nog af te wachten hoe Bacardi & C denkt op te boksen tegen haar eigen contradicties.

4. Een campagne: Bacardi rum, de consument en de Europese Unie.

Waarom voert de Cordinatie kampanje ? We veronderstellen dat de lezer het ondertussen begrepen heeft. In feite doen we niets meer dan eisen dat de resoluties van de Verenigde Naties van de laatste jaren worden gerespecteerd.

Aan Bacardi & C vragen we op te houden met hun bemoeienissen in de diverse wetgevingen in de VS die de blokkade enkel maar strenger maken. Het gaat niet op dat omwille van commercile belangen van een rumproducent uit de Bermuda’s de buitenlandse politiek van de Europese Unie ten aanzien van Cuba wordt benvloed. Daar we ons weinig illusies maken over de kans op verandering van de bedrijfscultuur van deze multinationale onderneming, stappen we naar de consument. Een bedrijf dat alle (on)mogelijke middelen inzet om haar doelstelling van winstmaximalisatie te bekomen, en dit op de rug van de Cubaanse bevolking, verdient van antwoord gediend te worden waar het meest kwetsbaar is, met name op de markt. Het kan dan zijn dat in de VS ”het geld” zowel de verkiezingen als de wetgever overheersen, daarom hoeft deze cultuur zich niet in Europa te installeren. Wij vragen eveneens een publieke discussie met het bedrijf over haar praktijken terzake.

Aan de Europese Unie vragen wij om werk te maken van een ethische buitenlandse politiek ten aanzien van Cuba. Het fundament van de Europese buitenlandse politiek ten aanzien van Cuba is gebaseerd op de eis zich een ander politiek vertegenwoordigingssysteem aan te meten (meerpartijensysteem). Naar het publiek toe wordt dit vertaald onder de vorm van “schending van de mensenrechten”. Binnenskamers geven de Europese ambtenaren toe dat daar het schoentje niet echt knelt. De pretentie van de universaliteit van het westers democratisch vertegenwoordigingssysteem is de ware drijfveer. Een eerste stap om geloofwaardigheid op te bouwen naar Cuba – en dan ook au srieux genomen te worden – is het voeren van een de VS onafhankelijke buitenlandse politiek. Daartoe kunnen verschillende stappen worden gezet. Het duidelijk veroordelen van alle titels van de extraterritoriale Helms-Burton wet evenals sectie 211, het herroepen van het Birmingham akkoord van mei 1998, het voeren van een politiek van constructieve betrokkenheid die zich vertaalt in een bilateraal samenwerkingsakkoord of de opname van Cuba tot de nieuwe conventie van Cotonou. Het voeren van een ontwikkelingspolitiek waar de Commissie de NGO’s niet poogt te gebruiken voor haar eigen politieke prioriteiten, maar wel aangepast aan de noden en prioriteiten die in Cuba werden bediscussieerd. De onderhandelingen met de VS over de Helms-Burton wet en sectie 211 op een politieke basis voeren. De Wereld Handels Organisatie is niet het geigende orgaan voor het beslechten van meningsverschillen over strategien in de Buitenlandse politiek.

Aan de nationale regering vragen wij dat zij een actieve ontwikkelingspolitiek naar Cuba opzet. Zij moet nauwlettend de stappen controleren die door de Europese Commissie worden gezet in haar onderhandelingen met de VS-administratie. Indien nodig moet zij de Commissie op de vingers tikken. Wij vragen haar te ijveren voor een van de VS onafhankelijke buitenlandse politiek in deze. Zij kan ijveren voor een herziening van de “Gemeenschappelijke Houding” van december 1996 opdat deze er n wordt die toelaat actief betrokken te zijn bij de veranderingsprocessen die de Cubanen zich zelf stellen en dit zonder voorafgaande voorwaarden op te leggen. De ontwikkelingspolitiek moet gericht zijn op het vrijwaren van de sociale verworvenheden die het Cubaanse systeem kenmerken. Voorts vragen wij haar te onderzoeken welke juridische stappen kunnen genomen worden tegen het bedrijf Bacardi & C. In Spanje werd Bacardi reeds veroordeeld voor inbreuken betreffende de wetgeving inzake misleidende reclame. Steeds meer berichten bereiken ons betreffende ongeoorloofde monopoliepraktijken naar drankverdelers toe, ook in Belgi. Het mengen van limonade en alcohol in de zogenaamde “Breezer”, gericht op een markt van jongeren zet aan tot alcoholconsumptie op jonge leeftijd. Heeft het beleid hier geen preventieve rol te spelen ?

Om al deze vragen naar het beleid hard te maken, hebben we nood aan een grote achterban. We moeten er steeds om waken dat het beleid blijft beseffen dat duizenden mensen achter ons staan. Vandaar dat wij ook op jullie een beroep doen. Zorg ervoor dat je onze informatie verspreidt bij je vrienden op caf, op je werk, in je school. Investeer symbolisch voor een klein bedrag in een correcte ontwikkelingssamenwerking met Cuba. Stuur ons de briefkaart terug waarin je onze eisen ondersteunt naar Bacardi & C, de Europese Commissie en de Belgische regering. En ook: Think Before You Drink !!! Iedereen kan meedoen. Er zijn slechts twee voorwaarden: je bent voor de opheffing van de blokkade tegen Cuba, die een volk wordt opgelegd, ongeacht je persoonlijke mening over Cuba. En je wordt (kots)misselijk van te veel Bacardi.