Luali Brahim Bahia, 37 jaar oud

Luali Brahim Bahia, 37 jaar oud

Luali is geboren in het vluchtelingenkamp van Laâyoune. Intussen is hij getrouwd en is hij op zijn beurt vader geworden van een kind dat in dit kamp leeft. Luali heeft een boekhouddiploma behaald en geeft momenteel Spaanse les in een school in Laâyoune. Om voldoende geld in het laatje te krijgen, werkt hij daarnaast ook als kapper.



“Mijn moeder is gestorven toen ik 4 was. Ik ben dan ook grootgebracht door mijn vader en mijn grootmoeder, samen met mijn 4 zussen. Maar mijn vader is invalide. Als man in huis ben ik dus verantwoordelijk voor mijn familie.

Dat is nu eenmaal het leven. Je moet het nemen zoals het komt. Ik stel mezelf tevreden met wat het lot me toebedeelt. Stromend water, elektriciteit, licht… Alles is een hele uitdaging voor ons, elke dag opnieuw. Zonder humanitaire hulp kunnen we niet overleven. Maar nog belangrijker dan die humanitaire hulp is onderwijs.

15 jaar in Cuba

Tot het vijfde leerjaar ben ik naar school geweest in de vluchtelingenkampen. Daarna kon ik mijn studie voortzetten in Cuba [dankzij een beurs van de Cubaanse overheid, red.]. Dat was in 1989, ik was toen 12. Ik heb 15 jaar in Cuba gewoond, zonder mijn familie te zien. We communiceerden alleen via de brieven die we elkaar af en toe schreven. Soms ging er een heel jaar voorbij zonder dat ik iets van mijn familie hoorde.

Mijn hele kindertijd en jeugd lang heb ik de gelukkigste momenten van mijn leven gedeeld met mijn Cubaanse vrienden en gastgezin. Ik heb boekhouden gestudeerd aan de Universidad de Ciego de Ávila. Toen ik in 2004 terugkeerde naar de kampen, kende ik er niemand meer. Zelfs voor mijn eigen zussen was ik een vreemde geworden. Het valt me zwaar om erover te praten, ook nu nog.

Kapper en leraar

Toen ik terugkwam, zat ik met een aantal vragen: ik was geboren tijdens de oorlog en toch was er, 23 jaar later, nog altijd niets veranderd. Waar had het dan allemaal voor gediend?

Momenteel ben ik zowel kapper als leraar Spaans. Ik probeer mijn volk zo goed mogelijk te helpen. Want als ik het niet doe, wie dan wel? Ik voel me, als Sahrawi, verantwoordelijk tegenover mijn volk. De bijdrage die ik als leraar lever, is een zandkorrel, die ik meegeef aan al die kinderen die in de vluchtelingenkampen moeten blijven wonen. Ik krijg ook veel terug van die kinderen. Ze lijden onder de situatie, en niets van dat alles is hun fout.

Planten en vissen

Mijn droom is om ooit naar de Westelijke Sahara te kunnen terugkeren. Ik ben hier geboren, ik heb dat land waarover ik altijd heb horen praten nooit zelf gezien. Toen ik nog klein was, hoorde ik de verhalen over de planten en de vissen. Mijn grootste wens is dat de kinderen van de kampen ooit het geluk zullen kennen om in een huis te wonen, naar zee te gaan, een normaal leven te leiden, een toekomst te hebben.

De kinderen vragen me: ‘Welke toekomst? U hebt geen toekomst gehad. Wat zouden wij er dan een hebben?’ Die kinderen zien altijd maar die diplomaten die hun speech komen geven en daarna weer vertrekken. Maar als je het mij vraagt, mag je in het leven nooit de hoop verliezen en het vertrouwen dat morgen beter zal zijn dan gisteren.

Hoop in de toekomst

Niemand moet twijfelen aan de toekomst, want die toekomst kan op elk moment mooie en verrassende dingen voor ons in petto hebben. Daarom zal ik tot mijn laatste snik blijven vechten. Maar de jaren verstrijken, en nooit gebeurt er wat. Ik heb het steeds moeilijker om dat discours te blijven aanhouden tegenover de kinderen.

Deze datum van 40 jaar vluchteling-zijn is voor elke Sahrawi een mijlpaal. Maar praten over die datum is één ding, die 40 jaar ook beleven is iets heel anders. Laten we hopen dat deze getuigenis zich ver verspreidt en dat ze alle mensen van goede wil diep zal raken. Misschien zullen ze ons kleine volk dan helpen, al die mensen die beroofd zijn van hun vrijheid. Samen kunnen we er geraken.”